Verslag lezing: Contact onderhouden met de middelbare school
Spreekster: Ina Barreveld-Teisman (Omnino adviesbureau; alle rechten voorbehouden)
Almere, 31-1-2001.
Contacten met de middelbare school lopen minder vanzelfsprekend als in het basisonderwijs. Het kind wordt niet meer naar school gebracht en ouders moeten opnieuw zoeken welke persoon ze voor bepaalde zaken moeten aanspreken. De schoolgids kan daarbij een hulpmiddel zijn.
Misverstanden op school.
Echte problemen ontstaan pas als ouders en school duidelijk van inzichten verschillen over de benadering van het kind op school. Ouders van hoogbegaafde kinderen zijn helaas nog te vaak veel beter geïnformeerd over de materie dan de meeste docenten. Pabo's en lerarenopleidingen besteden nog steeds weinig aandacht aan hoogbegaafdheid. Hierdoor kunnen makkelijk verkeerde inschattingen en communicatieproblemen ontstaan.
Een aantal veel voorkomende problemen worden expliciet genoemd:
- Zo worden kinderen met een slechte werkhouding nog regelmatig naar een lagere stroom verwezen. Maar met een slechte werkhouding red je het ook niet op het VBO. Voor hoogbegaafden met dergelijke problemen liggen de perspectieven beter op het VWO. Dit is een van de meest voorkomende discussiepunten tussen ouders en school.
- Hoogbegaafdheid is meer dan intelligentie. Naast een hoog IQ zijn factoren als doorzettingsvermogen, motivatie en creativiteit bepalend voor het functioneren van een kind. Motivatieproblemen kunnen leiden tot lage prestaties. Ze vormen vaak de grond waarop scholen besluiten tot plaatsing op een lager niveau. Een van de belangrijkste oorzaken van demotivatie ligt in het verschil tussen leren (wat het kind wil) en reproduceren (wat school vraagt). De cijfers dalen, de motivatie daalt, het kind gaat dagdromen en er ontstaan hiaten in de leerstof. Zo ontstaat een neergaande spiraal die kan leiden tot absoluut onderpresteren.
Motivatie (of het gebrek eraan) is echter geen statisch gegeven. Een kind kan opnieuw gemotiveerd worden door goede sturing en ondersteuning bij het nemen van de hobbels die hun doelen in de weg staan. Daarbij is het belangrijk te ontdekken waar de intrinsieke motivatie (die van het kind zelf) ligt. Motivatie is ook geen kenmerk van een leerling, maar van de leerling in een bepaalde omgeving. Het samenspel van factoren bepaalt de motivatie van het kind. Van bepaalde zaken is bekend dat ze bij hoogintelligente kinderen demotiverend werken: met te kleine stappen door de leerstof gaan, voornamelijk reproducerend werken, te veel bekende leerstof of leerstof die juist zo moeilijk is dat deze niet te volgen is en alleen maar werken voor cijfers zonder te weten waar iets voor dient. Bij ernstige motivatieproblemen kunnen staatsexamens soms een oplossing bieden. Sommige scholen werken mee aan een aparte situering van deze mogelijkheid binnen de school; andere scholen zijn er huiverig voor.
- De oorzaak van onderpresteren ligt echter al in het basisonderwijs. Indien daar geen uitdaging wordt geboden, leert het hoogbegaafde kind dat alles vanzelf gaat en dat het nergens moeite voor hoeft te doen. School wordt als saai ervaren. Soms begint de demotivatie al in groep 1 of 2 van de basisschool. Meer hoopvolle, gemotiveerde kinderen houden het nog een paar jaar langer vol om te presteren.
Maar uiteindelijk komen deze leerlingen op de middelbare school met het idee dat lezen hetzelfde is als studeren. Leerstrategieën hebben ze nauwelijk of niet ontwikkeld. Dan zie je het leren in het voorgezet onderwijs steeds minder goed gaan. Hun kennis wordt een gatenkaas waarin ze geen structuur meer kunnen brengen. Ze zoeken zelf wel naar creatieve oplossingen, maar vaak zijn dat niet de oplossingen die docenten bedoelen.
- Een groot deel van de 'probleemhoogbegaafden' is pas in groep 6 of nog later als hoogbegaafd herkend. Dan is er al veel schade toegebracht. De basisschool wil vanwege de reeds ontstane motivatieproblemen vaak geen VWO-advies meegeven, waardoor de leerling de middelbare school op een ongeschikt niveau binnenkomt. Een hoogintelligent kind zou niet in een HAVO klas moeten zitten: zij hebben andere interesses, andere gewoonten en er zitten te weinig ontwikkelingsgelijken om goed in zo'n groep te kunnen functioneren. In een VWO-klas zijn ze op al deze punten beter op hun plaats. Bovendien geldt dat in het onderwijs naarmate men op lagere niveaus komt het reproduceren als lesmethode toeneemt. Daardoor wordt in feite bij elk dalend niveau het onderwijs minder geschikt voor de hoogintelligente leerling.
Vaak staan docenten erop dat leerlingen eerst goede cijfers halen voordat zij mogen verder werken aan extra opdrachten. Deze werkwijze is voor hoogintelligente onderpresteerders af te wijzen. Het dwingt een kind te blijven werken op een manier die in feite niet bij het kind past. Opdrachten op hoger niveau gaan soms juist wel goed.
Voor onderpresterende faalangstige leerlingen kan het heel goed werken om tijdelijk geen repetities te geven in vakken waarin het kind blokkeert, maar het extra werkstukken te laten maken waarmee het kan laten zien dat hij/zij inzicht heeft in de leerstof. Een andere mogelijkheid is dat de docent de leerling mondeling overhoort of ernaast komt zitten om te zien hoe de leerling omgaat met de vraagstelling. Dit moet dan wel in een één op één situatie, niet tijdens de les. Ook het samen met de leerling de antwoorden van een repetitie doornemen kan veel duidelijkheid verschaffen. Zo kan men erachter komen waar het misging en
kan de leerling mondeling duidelijk maken wat hij/zij begrepen heeft.
Kinderen met leerproblemen.
Een groep die vaak pas laat als hoogintelligent ontdekt wordt, zijn de kinderen met leerproblemen. Door hun intelligentie lijken zij redelijk gemiddeld te functioneren. Noch hun hoge intelligentie noch het leerprobleem valt de school op. Dyslexie, dysorthografie en dyscalculie zijn problemen die bij deze kinderen zelden opvallen. Die kinderen lijken gewoon dommer dan ze zijn. Doordat bijvoorbeeld bij dyslexie jarenlang het criterium van een achterstand van 2 jaar is gehanteerd en het hoogbegaafde kind wel 2 jaar achterloopt op zijn eigen intelligentieniveau, maar niet op het gemiddelde van de klas worden de leerproblemen vaak pas in het voortgezet onderwijs ontdekt.
In de brugklas blijkt zo'n leerling op allerlei gebieden uit te vallen. De leerproblemen worden vaak pas duidelijk in combinatie met een intelligentietest. Dan pas blijkt dat de achterstand veel groter is dan bij het gescoorde IQ verwacht mag worden.
Helaas betekent de constatering van de leerproblemen voor veel van deze leerlingen niet dat zij ook op hulp van school kunnen rekenen. Scholen weigeren soms hulp en remedial teaching, omdat men van mening is dat hoogbegaafde kinderen er zelf wel uit komen, dat kinderen met een lage intelligentie meer recht hebben op hulp of omdat men vindt dat de leerling eerst zelf maar eens moet laten zien dat het eraan wil werken. Vooral dit laatste heeft weinig kans van slagen, want een leerling die al jaren tegen niet-onderkende problemen aanloopt, heeft vaak veel motivatie verloren.
Kinderen met senso-motorische problemen.
Ook deze groep kinderen ervaart vaak grote problemen in het voortgezet onderwijs. Er is inmiddels verband aangetoond tussen het hebben van motorische problemen en moeite hebben met automatiseren. In de basisschoolperiode zie je al dat leerlingen met motorische problemen (bepaalde bewegingen uitvoeren, veters strikken etc.) ook veel moeite hebben met zaken als tafels leren en andere vaardigheden die automatisering vragen.
Zo'n leerling kan zich gesteund voelen als de school mee wil werken aan een andere normering.
Kinderen met persoonlijkheids- en contactstoornissen.
Hieronder vallen o.a. aan autisme verwante stoornissen zoals PDD-NOS.
In principe kunnen deze kinderen gewoon een VWO halen. Ze kunnen vaak wel goed uit het hoofd leren, reproduceren en hoge cijfers halen.
Voor hen ontstaan problemen als ze constant gedwongen worden met anderen samen te werken. Dat kan angst oproepen die het vreemde gedrag versterkt. Voor deze kinderen is het belangrijk dat ze op school gesteund worden, dat school wel probeert te sturen om hen samen te laten werken, maar dit niet dwingend oplegt.
Worden zij wel steeds tot samenwerking gedwongen, dan kan met name de tweede fase veel problemen opleveren.
Hoe scholen met genoemde problemen om gaan is heel wisselend, evenals het kennisniveau dat op scholen over hoogbegaafdheid aanwezig is. Ook met een kind in het voortgezet onderwijs is het belangrijk dat ouders op tijd naar school toe signaleren als zij thuis merken dat het niet goed loopt met hun kind.
Voor verdere informatie over adviesbureau Omnino kunt u kijken op: http://www.omnino.nl/